Gastenboek!!   Home

Thomas en Vera

 

Schiphol vier uur 's ochtends. Thomas roert in z'n espresso. Hij heeft zojuist z'n bagage ingeleverd en nu begint het eindeloze wachten. Hij is moe, nog niet helemaal wakker. Gelukkig heeft ie nog wel wat geslapen thuis, maar natuurlijk veel te weinig. Hij wrijft in z'n ogen. Bah, waarom vertrekken die vliegtuigen altijd op van die onmogelijke tijden. Hij bladert wat door De Volkskrant die hij tot zijn verrassing al in de kiosk had gevonden.

Hij voelt dat er iemand naast hem komt zitten. Gerommel in een tas. Thomas kijkt opzij en ziet een wat oudere vrouw. Hij schat haar rond de zestig. 'Goeiemorgen,' zegt ze vriendelijk. Hij antwoordt een snelle groet en duikt terug in het artikel. 'Het was weer vroeg vanmorgen hè?' kwebbelt de vrouw. 'Heeft u nog last gehad van dat ongeluk bij Amsterdam?' Hij hoopt dat ze het inmiddels tegen haar andere buurman heeft, maar beseft dat ze zich toch echt tot hem richt. Zuchtend laat hij de krant zakken. 'Nee, ik kom vanuit Den Haag. Geen problemen gehad.' De vrouw kijkt hem vriendelijk aan; ze doet hem aan zijn moeder denken, alleen dan wat jonger. Hij vouwt de krant dubbel. 'Maar u dus wel blijkbaar?' 'Ja jongen, ze waren bezig met wegwerkzaamheden. Ik had thuis nog op internet gekeken, maar dit stond er echt niet op. Nou ja, ik ben op tijd, daar gaat het om..' Ze lacht en steekt haar hand uit: 'Ik ben trouwens Vera en jij?' 'Thomas, Thomas uit Den Haag...' Hij glimlacht ietwat verontschuldigend.. Zijn belangstelling heeft het gewonnen van zijn irritatie. 'Vakantie voor de boeg,' vraagt hij. 'Ja,' Vera zucht hoorbaar. 'Heerlijk, ik ga twee weken. De eerste week lekker luieren, een beetje zwemmen, boeken lezen, wat wandelen en de tweede week ga ik aan het werk.' Hij kijkt haar verrast aan. 'Ik verzorg een cursus schilderen, vandaar.' 'Goh, wat leuk, doet u dat al lang?' 'Schilderen doe ik al m'n hele leven, maar les geven doe ik nu zo'n tien jaar, waarvan de laatste paar jaar op Kreta.'

Thomas merkt dat zijn adem heel even stokt. Kreta... Natuurlijk, het eiland is populair, maar toch schrikt hij ervan. Hij voelt dat hij begint te transpireren en ziet dat Vera de lichte trilling in z'n gezicht bemerkt. Waarom gaat juist deze vrouw naar Kreta, vraagt hij zich af, deze vrouw die hem zo aan zijn moeder doet denken.. Hij slikt een paar keer. Dan herstelt hij zich enigszins. 'Kreta,' brengt hij uit, 'mooi eiland, 't zal er nu wel lekker warm zijn.' Het komt er nogal geforceerd uit. Vera zwijgt, ze kijkt hem aan. Weer die zachte blik..'Ik haal even koffie voor ons,' zegt ze. Voor Thomas kan tegenstribbelen, loopt ze richting de koffiebar. Hij kijkt haar na. Stommeling die hij is, meteen weer van slag. Hij kan ook nooit eens normaal reageren. Het is al twee jaar geleden. Wanneer houdt het nu eens op? Wanneer is nu eindelijk het moment dat hij zijn herinneringen kan begraven, dat de film die zich steeds weer voor zijn ogen afspeelt, stopt, dat hij verder kan met zijn leven? Hij voelt dat de vermoeidheid weer bezit van hem neemt als een roofdier dat zijn prooi omklemt.

Vera komt terug met twee dampende bekertjes koffie. 'Alsjeblieft, een lekker bakkie.' Even raakt haar hand de zijne; het stelt hem gerust.

Thomas kijkt op zijn horloge. Over een uur vertrekt zijn vliegtuig richting New York. Morgen zal hij de stad gaan verkennen, zal hij slenteren over de 5th Avenue, gaan joggen in het Central Park en de plek bezoeken waar de Twin Towers hebben gestaan. Het komt hem onwerkelijk voor.

Hij kijkt opzij, Vera blaast in de nog veel te hete koffie. Er gaat een pijnscheut door z'n borst. Dan zegt hij zacht: 'Mijn moeder is verongelukt op Kreta. Ik reed en zij zat naast me. Ze was op slag dood..' Geschokt draait Vera zich naar hem toe. Ze pakt zijn hand. 'Och, jongen toch.. wat verschrikkelijk..' Minutenlang blijven ze zo zitten, Thomas en Vera, twee mensen in de vroege ochtend op Schiphol. 'Je moet gaan, Vera,' zegt Thomas tenslotte, 'straks mis je je vlucht nog.' Het duurt even voor ze reageert: 'Weet je,' zegt ze, 'op Kreta is één heel bijzondere plek. Het is een klein wit kapelletje bovenop een rots bij zee. Ik kom er altijd weer terug, het liefst bij zonsondergang. Dan kleurt de zon de stenen roze rood. Het is prachtig, het is of al het goede daar op die plek samenkomt.' Ze stopt even, haar blik houdt hem vast. 'Daar brand ik een kaars voor jouw moeder.' Dan laat ze los, ze pakt haar tas, geeft hem een vluchtige kus op zijn wang en verdwijnt in de menigte.